Over de politicus, de schoonheid van de taal en de weemoed: Hamlet in de politiek
"Wat ik nog steeds te schrijven droom" – documentaire Hans van Mierlo
Eerder over Van Mierlo: "Niets anders dan de angst voor de dood en de vrees te verwaaien tot as"
"Wat ik nog steeds te schrijven droom" – documentaire Hans van Mierlo
Eerder over Van Mierlo: "Niets anders dan de angst voor de dood en de vrees te verwaaien tot as"
Het blijkt dat Max Stirner op dit moment nogal populair is. Dat is niet slecht voor een auteur die al honderdvijftig jaar dood is.In oktober 2009 verscheen er een biografie van de hand van Hans Jansen [De egoist Max Stirner] en in 2008 kwam in Belgie een vertaling uit van Der Einzige und sein Eigentum, deels te raadplegen op het internet. En uit mijn exemplaar van Politicus zonder Partij blijkt dat Ter Braak daarin een voorrede over Stirner publiceerde waarin hij zijn verwantschap met Stirner beschrijft. Iets dat hij al eerder deed in een brief aan Du Perron.
Nog steeds weet ik niet waar die indringende zin vandaan kwam die mij plots inviel. Ik vermoed dat ik hem toch uit de oerbron heb, t.w. van Goethe (Vanitas! Vanitatum Vanitas!). Nog niet zo lang geleden las ik in een antiquariaat gedichten van Goethe, maar kopen deed ik niet. Ik denk dat de zin zich toen in mijn geheugen heeft vastgezet: Ich habe meine Sache auf Nichts gestellt. Natuurlijk viel die zin in een leemte waar hij precies in past. Dat dan weer wel.
Stirner ga ik toch maar in de vertaling uit 2008 lezen. Op de UB van Utrecht is ie nog niet verkrijgbaar, maar het IBL biedt uitkomst. De tekst die ik op internet las is in elk geval veelbelovend. Taal van een filosoof met misschien wel een steviger hamer dan Nietzsche later hanteerde. Maar dit terzijde.
Max Stirner [ps. voor Johann Kaspar Schmidt (1806-1856)] draagt Der Einzige und sein Eigentum op aan ‘Meinem Liebchen Marie Dähnhardt’. Zij verkeerde in kringen van Die Freien, een debatingclub in Berlijn, waar ook Stirner regelmatig toefde.
Dähnhardt en Stirner waren op het moment van het verschijnen van Der Einzige (oktober 1844) getrouwd, maar twee jaar later was het over. De eerste zin na zijn opdracht luidt: Ich hab’ Mein’ Sach’ auf Nichts gestellt. Het boek sluit af met dezelfde zin. Dähnhardt, die zich later aansloot bij een katholieke commune, weigerde ooit iets over haar ex te vertellen.
Overigens was het niet Niets dat Dähnhardt inbracht bij haar huwelijk met Stirner, nl. 20-30.000 thalers. Ter vergelijking: na de dood van Stirner kochten zijn vrienden een graf voor hem ter waarde van ruim 1 thaler. Stirner had niets meer.
Het begint er op te lijken dat het nihilisme van Stirner in meer dan één opzicht een scheppend nihilisme was.
Ik heb het wel vaker. Ik bedoel dat mij plots een gedachte of een zin invalt. Zojuist was het: "Ich habe meine Sache auf Nichts gestellt". Het was mij wel duidelijk dat het een citaat moest zijn. Als ik al zelf iets verzin, dan zal het in mijn moerstaal zijn. Ik zocht op het internet naar de herkomst van het citaat en las bij Leon Hanssen dat het de lijfspreuk van Menno ter Braak was.
Leon Hanssen: De spreuk is "afkomstig uit Goethes Gesellige Lieder, namelijk uit het gedicht ‘Vanitas! Vanitatum vanitas!’ (1806). De persoon uit dit gedicht heeft naar geld, roem en eer gestreefd, heeft vrouwen begeerd en macht, maar dat heeft hem alleen maar misère opgeleverd. Nu versmaadt hij alles, behalve een slok wijn en het gezelschap van een kameraad. IJdelheid, ijdelheid der ijdelheden! Hij houdt zich verder bij het niets; aan niets is hem wat gelegen. Later zou Ter Braak de zin ‘Ich hab’ Mein Sach’ auf Nichts gestellt’ terugvinden bij de Duitser Max Stirner, een denker tussen Hegel en Nietzsche, in wiens Der Einzige und sein Eigentum hij begin september 1933 ‘viel’."
Zijn zaak op het Niets stellen, dat is niet niets. Ik denk dat het een vingerwijzing is. Ik wil weten of en wat de overeenkomst is tussen het scheppend nihilisme van Stirner en het vitalistisch mysticisme a la Van Ostaijen. Morgen ga ik het boek halen bij de vernieuwde letterenbibliotheek: Der Einzige und sein Eigentum. Ik moet, nee, ik wil het weten of het iets is; het Niets.
De winter brengt vorst: dat wordt kou lijden. De zomer brengt hitte: dat wordt zweten. Slecht weer doet een aanslag op de gezondheid: dat wordt ziek zijn. En op bepaalde plekken worden we geconconfronteerd met wilde dieren, of met de mens, die gevaarlijker is dan alle wilde dieren. Er wordt ons iets ontnomen door water en iets anders door vuur. Dat is de stand van der dingen en we kunnen daar niets aan veranderen. Wat we wel kunnen is dit: waarachtig moed vatten zoals een goed man past, en zo de slagen van het lot dapper verduren en leven in overeenstemming met de natuur.
Seneca, Leren sterven. Brieven aan Lucillius (Amsterdam, 2004)
Daarom, mijn beste, omdat iedereen een draad is gegeven, zijn lot. Of hij pakt het einde en dan kan hij blij zijn, want hij handelt zoals nodig is. Of hij pakt het niet. Jou is het niet gelukt. Je hebt nooit naar je eigen draad gezocht, je keek altijd naar die van anderen, wilde net als zij zijn. Maar het geluk van de een is het ongeluk van de ander.
Czeslaw Milosz, Het dal van de Issa (Amsterdam, 1982)
Vanmiddag was ik in de Utrechtse muziekbibliotheek voor de CD Maria van de mezzosopraan en amateur muziekhistorica Cecilia Bartoli. Aanleiding was de documentaire over Bartoli die gisteravond door de NPS werd uitgezonden. Ik werd enthousiast van deze Bartoli die een historische sensatie leek te ondergaan bij het zien en aanraken van de overblijfselen uit de wereld van Maria Malibran (1808-1836). Bovendien zong ze ook nog eens geweldig.
Terwijl ik de CD liet registeren was er plots de melancholieke stem. Een stem die klonk als een klok, een stem die prachtige poezie bleek te kunnen zingen: Your eyes may be whole / but the story I’m told / is that your heart is as black as night (…). Het nummer bleek van ene Melody Gardot te zijn. Het lied staat ook op het internet. Sterker nog; het is gekoppeld aan scenes uit de eerste verfilming (een stomme film) van Graaf Dracula uit 1922 (naar het boek Dracula (1897) van Bram Stoker).
De combinatie van lied en beeld – ze lijken voor elkaar gemaakt – leveren een fantastische ervaring op. Zie, geniet en bedenk: all what you have is your heart!
Voor nu en later: een goede nacht.
Your eyes may be whole / but the story I’m told / is that your heart is as black as night / Your lips may be sweet / such that i can’t compete / but your heart is as black as night / I don’t know why you came along / at such a perfect time / but if i let you hang around / I’m bound to lose my mind / cuz your hands may be strong / but the feeling’s all wrong / your heart is as black as night / (2x)your heart is as black / oh, your heart is as black as night / ah-ah oooooo
"’Wat denk je ervan’, zei Poeh bedachtzaam, ‘als we eens, zo gauw we uit het zicht zijn van deze kuil, probeerden hem terug te vinden?’‘Wat heb je daaraan?’ vroeg Konijn.‘Wel’, zei Poeh, ‘We zoeken nu almaar naar ons Huis en we vinden het maar niet, en nou dacht ik, als we nou eens naar deze ene Kuil zochten, dan vonden we die vast ook niet en dat zou al een Mooi Ding zijn, want dan konden we misschien wel eens iets vinden waar we niet naar zochten en dat was dan misschien juist iets waar we wel naar zochten."
Soms reeds is schoon mijn hand gesloten
alsof er geen verlangen
over mijn vingers
lag
In Vers 6 combineert Paul van Ostaijen zijn mystieke inzichten met een vitalistische toonzetting. In onderstaand gedicht overheerst het stoicisme of de Gelassenheit als de houding om je met het Zijn te verzoenen. Vanuit de gedachte en ook wel ervaring dat passie, hartstocht en ongerichte activiteiten tot leed en onrust leiden is het beter niet meer te wensen. Verstandig, ja wijs en overtuigend, zo lijkt mij. Net zoals ook de aanwijzingen in de Ethica van Spinoza tot een rationeel leven overtuigend zijn. Er is weinig ervaring nodig om in te zien dat er ook een andere wet in de leden heerst die tot knechtschap leidt. Zo er al geen ganse familie Karamazow binnen in ons huist, eenduidig is het er zelden. Maar soms reeds is schoon mijn hand gesloten… Het is waar; ‘dat wat voortreffelijk is, is even moeilijk als zeldzaam’ zo luidt de slotsom van de Ethica. Een verre weg. Maar laat ik nu het woord aan Van Ostaijen:
Zo ook gaat de geliefde
Mitri Karamasoff
dood
Ons op de schouders
valt nu laat en schuin de schaduw
des Iwan
Om het lijden dankbaar worden
en schijnbaar blijde
het scherpe vechten van spin en bij
verbeiden
Soms reeds is schoon mijn hand gesloten
alsof er geen verlangen
over mijn vingers
lag
Het is een verre weg
naar de passieloze berg
van het blote schouwen
Logos
Tao
Uit de Nagelaten gedichten van Paul van Ostaijen
Simon Vinkenoog is dood. Nooit las ik iets van de man, maar vandaag luisterde ik naar een tweegesprek tussen Theo van Gogh en Simon Vinkenoog, tussen Van Gogh en een mysticus. Ik ben verstomd en zal mijn mond niet opendoen. Luister zelf en oordeel. Of beter: oordeel niet, maar luister. Meer…
Later: ik vergiste me en las toch ooit iets van Vinkenoog t.w. de Encyclopedie van de mystiek en de mysterie godsdiensten. Vertaling en bewerking: Simon Vinkenoog. Gekocht bij De Slegte, ergens begin jaren tachtig. Een werkje met veel aandacht voor de Oosterse wijsheid, zoals Tau of Tao: ‘Dat, wat ge met een naam kunt noemen, is slechts de moeder van ‘t geen de zinnen kunnen waarnemen’ [of: het noembare Tao is niet het eeuwige Tao].